Categorieën
Wetenschap

Abortusdiscussie heeft focus op web van relaties nodig

“Het is begrijpelijk dat auteurs moeite hebben met een artikel zoals dat van Giubilini en Minerva,” zei Evert te Winkel in het artikel van vorige week. Hij schrijft nu op hoe hij het leven van een foetus ziet en waarin hij de waarde van leven vindt.

Evert te Winkel

“Wie pijn en plezier kan ervaren (zoals mogelijk foetussen en zeker zuigelingen) heeft het recht om geen pijn aangedaan te krijgen. Als een individu naast het ervaren van pijn en plezier ook plannen voor de toekomst kan maken (zoals echte menselijke en ook niet-menselijke personen kunnen), dan brengt het schade toe wanneer het uitvoeren van de plannen wordt tegengegaan door te zijn gedood.”

Met deze kernzin maken de bio-ethici Alberto Giubilini en Francesca Minerva duidelijk wat de stelling in hun paper is: een zuigeling staat ethisch gezien op hetzelfde niveau als een foetus, regels die voor foetussen gelden, dus ook op het gebied van abortus, dienen ook voor zuigelingen te gelden.

Daarmee geven de auteurs aan dat het persoon-zijn niet in de eerste plaats in de potentie van persoon zit, maar in het kunnen en het handelen. Een consequente medisch-ethicus zal inzien dat dezelfde argumenten in dat geval gelden voor ernstig dementerende ouderen, die in voorkomende gevallen ook de mogelijkheid tot het maken van plannen verloren zijn, en voor comapatiënten, zelfs indien zij in potentie weer bij bewustzijn kunnen komen. Met deze vaststelling wordt het noodzakelijk om de redenatie over persoon-zijn van de twee medisch-ethici naast de menselijke waardigheid te leggen.

“Elk persoon is een wezen”, zegt het leerboek Medische Ethiek, “met eigen belangen, dat zelf kan nadenken en morele afwegingen kan maken.” Een embryo (of foetus) hoort daar volgens de schrijvers niet bij. Maar, zeggen zij wel, met alleen de opmerking dat een persoon eigen belangen heeft en zelf kan nadenken en morele afwegingen kan maken is de interpretatie te strikt, een persoon blijft een persoon, ook als hij of zij slaapt. Een persoon is, volgens de schrijvers een persoon vanwege de mogelijkheid op dat moment, als je iemand wakker maakt kan het direct die dingen doen die bij een persoon horen.

Daarmee is nog niet alles gezegd, een belangrijke vraag die dit oproept, is voor hoeverre de menselijke waardigheid geldt voor alleen een menselijke persoon, of voor al het menselijk leven. Deze discussie sla ik hier nog over, hoewel ik sympathiseer met Giubilini en Minerva.

De menselijke waardigheid is, als eerste opmerking, geen absolutisme. Zo hebben veel landen de doodstraf als ultieme straf. Door het toepassen van de doodstraf wordt mensen de mogelijkheid tot het maken van plannen voor de toekomst ontnomen, terwijl zij dit wel kunnen, niet alleen in potentie. Dit noemen de twee auteurs zelf ook. Er kunnen redenen zijn om personen de menselijke waardigheid te ontnemen door hen het leven te ontnemen en dus ook alle kansen om plannen voor de toekomst te maken of uit te voeren.

Maar niet alleen het uitvoeren van een gruwelijke daad kan een reden zijn om de menselijke waardigheid als ondergeschikt in te schatten, ook meer praktische redenen kunnen meespelen. Sinds we mensen die weinig kansen hebben om in leven te blijven door medische uitvindingen veel langer in leven kunnen houden, nemen vanzelfsprekend ook de zorgkosten toe. Er kan een moment komen dat deze als onbetaalbaar worden beoordeeld. Dat kan een reden zijn om, eufemistisch, ‘de stekker eruit te trekken’. Net zoals ‘we’ zonder al te veel scrupules kinderen in Afrika en de armere delen van Azië om laten komen door een gebrek aan eten en voldoende warme kleding. Het klinkt grof, maar de menselijke waardigheid is belangrijk, maar voor de meeste mensen, zeker Westerse, geen absoluut criterium.

Verder is een pasgeboren zuigeling natuurlijk veel aaibaarder dan een embryo. Dat is begrijpelijk. Een embryo is niet te zien, anders dan met middelen als de echo. Een zuigeling is lijfelijk, zo ervaren mensen dat ook, bij hen aanwezig. Maar dit soort emotionele argumenten kunnen het onderscheid tussen embryo’s en zuigelingen niet rechtvaardigen en rechtvaardigt ook niet een menselijke waardigheid die wel voor zuigelingen geldt en niet voor embryo’s. Maar deze emotionele argumenten tellen natuurlijk wel mee. Dat is een tweede opmerking.

Een derde opmerking, voor de conclusie, zit erin dat ‘potentieel’ een weinig heldere term is. Iemand die nu in coma ligt, laten we voor de helderheid ZKH Prins Friso als voorbeeld nemen, kan nu moeilijk gezien worden als een persoon, volgens de definitie van Giubilini en Minerva. Maar bij een eventueel ontwaken is ZKH Prins Friso een volledig persoon, mogelijk met een forse hersenbeschadiging. Maar wie zou de prins aanduiden als een ‘potentieel persoon’? De familie zeker niet, voor hen is de prins een echt persoon, een echte zoon, een echte echtgenoot, een echte vader en een echte broer. Voor de familie is de prins van een veel grotere waarde dan het bestaan van een foetus. Zelfs de meest rechtlijnige medisch-ethicus kan zich daarin vinden.

De keuze voor een abortus, pre- of postnataal, gaat niet of nauwelijks over een al dan niet potentieel persoon. Het gaat over de betekenis van deze potentiële persoon in relatie tot menselijke omgeving. Het gaat veel meer om welkom zijn, geliefd zijn en gewaardeerd te worden, een factor die voor de medische ethiek nauwelijks van belang is en daar ook moeilijk daar een plaats in kan vinden.

Net zoals het eigenlijk niet te rechtvaardigen valt dat het normaal gevonden wordt dat artsen alles in het werk stellen om familie te helpen, maar kinderen die van de honger sterven in Afrika weinig indruk maken. De kinderen in Afrika staan niet of onvoldoende in relatie tot ons. In al deze gevallen blijkt dat de medische ethiek niet het laatste woord kan hebben. Voor religieuze anti-abortus- (of: pro-life)activisten staat de relatie van de foetus tot God voorop, maar ook de intermenselijke relaties komen voor de medische ethiek.

Volgens Bert Dorenbos is iedere embryo die gedood wordt door middel van een abortus een door God kind dat gedood wordt. In een medisch-ethische discussie is dat een moeilijk argument, er wordt potentie weggenomen, natuurlijk, maar die potentie mist niemand als de foetus er niet meer is.

Om abortussen te voorkomen, de meeste mensen hebben liever minder dan meer abortussen, is niet alleen de relatie foetus-God belangrijk, maar juist dat praktische argument van het web van relaties waarbinnen een kind geboren wordt. Binnen christelijke kringen zou er veel meer aandacht moeten zijn voor dit web en de rol die deze zou moeten spelen in de keuze voor of tegen een abortus.

Door Evert te Winkel

Initiatiefnemer van Vrijzinnig Evangelisch. Ooit een wat zurige bijna-ex-evangelische, inmiddels opbouwend-kritisch evangelisch. Probeert aardiger te zijn.

5 reacties op “Abortusdiscussie heeft focus op web van relaties nodig”

Erg veel mensen onderschatten een relatie die een abortus moeten ondergaan. De liefdesrelatie tussen twee mensen kan schade oplopen en natuurlijk het verlies van een kroost wat de relatie eigenlijk had moeten voortbrengen is voor velen moeilijk te accepteren