Categorieën
Cultuur

Welke rol kan een kind spelen in het grote geheel?

pijp roken, historische foto's, gezag, richard toes, paulien honkoop, jos de kock
Ooit was gezag zo gewoon, toch? Foto: Historical Stockphoto’s

Ook dat nog. Naast alle economische malaise heeft zich een nieuwe crisis aangediend in Nederland. In het Reformatorisch Dagblad betoogt Richard Toes, directeur van de Guido de Brésschool in Rotterdam, dat er sprake is van een ‘gezagscrisis’. Deze gezagscrisis is te danken aan een antiautoritaire houding die in Nederland de afgelopen decennia met grote intensiteit en fanatisme is vormgegeven. Gezagscrisis?

Door: Paulien Honkoop

Het betoog van Toes is doorweven met grote woorden rondom de motivatie van jongeren en studenten (voortdurende verveling), de motieven van onderwijzers (uit op populariteit en de eeuwige jeugd’)  de opstelling van de ouders (ongezond assertief) en de keuze voor moderne didactiek, die een kindgerichte ideologie en cultuurrelativisme scholen en kerken in gebracht zouden hebben.

Zijn antwoord is even  eenvoudig als omstreden: Ouders, opvoeders, onderwijzers zouden weer ‘met gezag’ te werk moeten gaan om de infantilisering tegen te gaan.

Over gezag
Nu is ‘gezag’ een fenomeen met vele gezichten. Door de tijden heen is gezag van ouders over kinderen een vanzelfsprekend principe geweest en is dat nog steeds, in de ene cultuur nadrukkelijker dan in de andere. Door de tijden heen is ook gezag van mannen over vrouwen normaal geweest, net zoals gezag van heren over knechten, grootgrondbezitters over slaven, rijken over armen en blanken over zwarten. Gezag is altijd verbonden met beperking van de vrijheid en een vorm van gehoorzaamheid ten dienste van een groter geheel.

Ook pedagogen als Langeveld en De Winter buigen zich over de thematiek van gezag ten opzichte van ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’  en ‘opvoeding tot goed burgerschap’.  Wie even de gedachten laat afdwalen naar het ‘Befehl ist Befehl’ van WOII, of het gezag van religieuze leiders in sektes weet dat gezag ook altijd een vorm van socialisering ‘tot een bepaald doel’ in zich draagt. Waartoe oefenen wij gezag uit?

Terecht stelt Jos de Kock enkele dagen later dat Richard Toes deze vraag niet beantwoordt. Pleiten voor gezag zonder een gedegen analyse van het ‘waartoe’ lijkt me pedagogisch gevaarlijk en inderdaad een vorm van ontluisterend pedagogisch redeneren. Gezagscrisis? Ik zie hem niet.

Het CNV schooljournaal van december 2011 publiceerde een artikel met als titel ‘Kinderen zijn prinsjes en prinsesjes en hun ouders de lakeien’ (pdf). Het beschrijft een onderzoek naar de beleving van gezag in het onderwijs.

Sprekender dan de cijfers uit het onderzoek zijn de anekdotes in het artikel. Jongeren worden erin afgeschilderd als onderuitgezakte onderhandelaars die bij lage resultaten hun ouders meenemen om verhaal te halen bij de docent. Dat is in lijn met de pedagogische trend van de afgelopen eeuwen. We zijn over het algemeen niet zo erg te spreken over de attitude van jongeren – net zomin als over hun taalgebruik.

De cijfers zijn wat minder schokkend. We geven het gezag tegenwoordig een ruime 7,5 terwijl we het 20 jaar geleden een 8,5 gaven. Maar is dat een gezagscrisis? Ik zie hem niet.

Het verlangen naar gezag
Volgens Christien Brinkgreve is er iets anders aan de hand. We verlángen naar gezag. We hebben zoveel vrijheid dat we beginnen te verlangen naar vaderfiguren, heldere normen en afgebakende paden.  Het antwoord ligt volgens Brinkgreve niet in het herstellen van het jaren 50-gezag.

Gezag is geen techniek om de tijd terug te draaien. We voeden op tot mondigheid, en niet voor niets. We hebben oog voor de eigenaardigheden van het kind, en niet voor niets. ‘Maar’ zegt Brinkgreve ‘bevrijding zonder houvast geeft weinig meer dan leegte’.  Wat dan?

Voor onderwijzers en opvoeders zit er niets anders op: authentiek zijn, oprecht en eerlijk. Dat wekt óók in deze tijd nog ontzag bij de kinderen, jongeren en studenten. En:

“Kinderen zover krijgen dat ze in de veelheid van mogelijke levensvisies en loopbanen de eigen leren herkennen. (..) in alle gevallen gaat het om luisteren en een kader bieden, om ruimte voor de persoonlijke stem en inbedding, om individu en collectief, om vrijheid en structuur –niet als tegenstelling maar in combinatie”.

Crisis van het dénken over opvoeding?
We leven in een tijd vol uitdagingen. Fred Korthagen wijst hierop in zijn Pedagogisch Manifest (pdf), James Kennedy in zijn betoog over christelijk onderwijs als creatieve minderheid. Als er íets in crisis is, is het ons vermogen als leraren, ouders, opvoeders, authentiek te  verwoorden wat de zin is van het bestaan van de kinderen die we opvoeden in deze tijd. En daarmee samenhangend: wat het waartoe van de opvoeding.

Het denken in termen van een pedagogische antropologie is uit geraakt, maar er is daarna niets meer ín geraakt. Is de toekomst somber? Is hij hoopvol? Welke rol kan dit kind spelen in het grotere geheel? Heeft dit kind een roeping? Deze vragen betreffen de menswording van een onvolkomen maar beloftevol kind. Deze vragen kunnen net zo min beantwoord worden door wetenschappelijke evidentie als door ‘good practice’. Deze vragen brengen ons terug bij de bron van ons bestaan, onze hoop, onze zekerheden over de oorsprong, de zin en het einde van alle dingen.

Zolang we daar niet uit zijn, blijft het qua gezag toch een beetje behelpen. Met lekkers en een roe. Of gewoon met een flinke dosis gezond verstand.

En met modieuze didactiek heeft dit allemaal helemaal niets te maken.  Ik ben blij dat scholen en kerken erin soms in slagen kinderen te boeien en te betrekken. Dat is geen vorm van infantiliseren of klein houden, maar juist van hen uiterst serieus nemen. Met dank aan onder andere de godsdienstpedagogen.

Brinkgreve, C, (2012) verlangen naar gezag. Over vrijheid, gelijkheid en verlies van houvast. HooibergHaasbeek, Meppel.