Categorieën
Wetenschap

Theodicee: waarom er lijden is in de goede schepping

irenaeus
Irenaeus

Waarom is er lijden en dood als een liefhebbende God de wereld geschapen heeft?

Als je een tijdje christen bent geweest, dan heb je het verhaal waarschijnlijk wel meegekregen. God maakte Adam en Eva zowel lichamelijk als moreel perfect. Ze leefden in een perfecte wereld, zonder lijden en dood. Adam en Eva gebruikten hun vrije wil, die God hun gaf, om zich tegen God te verzetten en te zondigen, waardoor alle leven op aarde, mens en dier, onsterfelijkheid verloor en onderworpen werd aan ziekte, ouderdom en dood.

Door Darach Conneely

De fysieke wereld veranderde en beschadigde, raakte onderworpen aan aardbevingen, stormen en overstromingen. Adam en Eva’s zonde veranderde en corrumpeerde de menselijke natuur, deze zondige natuur geven de mensen al generatie na generatie door, waarmee we onze eigen zondige neigingen en monsters als Hitler en Stalin kunnen verklaren.

Augustinus
Deze uitleg komen we al tegen bij Augustinus. Het is zeker een nuttig antwoord op de vraag waarom er lijden is in de door God geschapen wereld. God veroorzaakte niet de problemen in een perfecte wereld, juist de mensen maakten er een rommeltje van. Er zijn echter ook problemen met deze uitleg. Het is maar zeer de vraag of het rechtvaardig is om toekomstige generaties te straffen voor een zonde die zij niet begingen, of dieren te straffen die er part noch deel aan hadden (behalve de slang). Ook is het een probleem dat God heel goed wist wat er te gebeuren stond en desondanks doorging met zijn plan. Toch is dit, in verschillende varianten, de standaard-uitleg van de westerse kerk sinds Augustinus, zowel bij katholieken als bij protestanten. Het grote probleem dat wij tegenwoordig met Augustinus’ uitleg hebben, is dat we nu weten dat lijden en dood al miljarden jaren onderdeel zijn van onze werkelijkheid en dat de grote jagers al ver voor de mensheid de aarde afstruinden.

Dit soort argument dat het lijden uitlegt en Gods handelen rechtvaardigt, heet een theodicee, van de Griekse woorden voor God en rechtvaardigheid. Hoewel Augustinus zijn theodicee waarschijnlijk gebaseerd heeft op zijn begrip van Genesis, legt de Bijbel het probleem van het lijden anders uit. De Bijbel kiest een andere benadering, waarbij niet de vraag ‘waarom bestaat er lijden?’ centraal staat, maar de veel persoonlijker kwestie: ‘Waarom lijden wij, de mensen van God?’ De theodicee van Augustinus is de bekendste in de westerse kerk, de Oosters Orthodoxe Kerk volgt de theodicee van de vroegere kerkvader Irenaeus, die nader bij de uitleg van de Bijbel staat.

Theodicee van Irenaeus
Waar Augustinus dacht dat Adam en Eva moreel perfect geschapen waren, meende Irenaeus in de tweede eeuw dat dit helemaal niet mogelijk is. Een goed karakter ontstaat slechts door het aanleren van goede keuzes en de discipline die goede keuzes ook te maken wanneer dat pijn doet. We zien deze ideeën terugkomen in de brieven van Paulus…:

En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt, volharding tot betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid tot hoop. Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is” (Romeinen 5:3-5).

…en Jakobus:

Het moet u tot grote blijdschap stemmen, broeders en zusters, als u allerlei beproevingen ondergaat. Want u weet: wanneer uw geloof op de proef wordt gesteld, leidt dat tot standvastigheid. Als die standvastigheid ook daadwerkelijk blijkt, zult u volmaakt en volkomen zijn, zonder enige tekortkoming” (Jakobus 1:2).

Zelfs Jezus moest dit alles doorstaan, vertelt een van de meest vreemde verzen in de Bijbel: “Hoewel hij zijn Zoon was, heeft hij moeten lijden, en zo heeft hij gehoorzaamheid geleerd” (Hebreeën 5:8).

Irenaeus meende dat er een doel is met deze wereld vol lijden. We hebben het nodig om werkelijk mens te worden. Hij geloofde dat het proces van schepping nog altijd voortduurt. God gebruikt het lijden waar we doorheen gaan, in dat lijden duurt zijn scheppen in zijn evenbeeld1 voort. John Hicks beschrijft dit idee in zijn boek Evil and the God of Love als ‘a vale of soul making’, letterlijk ‘een dal van zielvorming’. De frase ‘een dal van zielvorming’ komt van de dichter John Keats, die de oudere frase ‘a vale of tears’ (een tranendal) aanpaste. Volgens Keats mist deze uitspraak de kern.

Augustinus veronderstelde dat God Adam en Eva volwassen en moreel perfect kon maken en dat ook zou doen. Voor Irenaeus deed de vraag of God daartoe in staat is niet ter zake, maar juist de vraag of de schepping in staat is om deze giften van God aan te nemen. God zou de gift van morele perfectie kunnen geven, maar we zijn niet in staat deze aan te nemen. Karakter is iets dat we alleen langzaam kunnen laten groeien, door gedisciplineerd te kiezen tussen goed doen en ons afkeren van wat kwaad is. Dag na dag, wat het ons ook kost.

Irenaeus, een theodicee voor nu
De theodicee van Augustinus is gebonden aan een historische Adam en Eva. De theodicee van Irenaeus is veel flexibeler, omdat deze gebaseerd is op Gods bedoeling voor lijden en dood in deze tijd. Lijden is bij hem uiteindelijk een goede zaak en onderdeel van Gods plan, niet een falen dat weggeredeneerd dient te worden. Irenaeus zag Adam en Eva zelf als onvolwassen kinderen die in het beeld van God moeten opgroeien door ervaringen, een visie die de orthodoxe kerken nog steeds aanhangen. Maar deze theodicee heeft niet eens een letterlijke Adam en Eva nodig. Ongeveer een eeuw na Irenaeus komen we Origines tegen, die helemaal niet in een letterlijke Adam en Eva geloofde, maar die vergelijkbare opvattingen als Irenaeus huldigde. De wereld is volgens Origines als een schoolklas, waar God lijden brengt om ons te doen opgroeien en om genezing te brengen.2

Christenen die evolutionaire schepping (of: theïstische evolutie) accepteren, huldigen vele verschillende opvattingen over Adam en Eva. Dit kan inhouden dat men gelooft dat Adam en Eva historische individuen waren, dat men de verhalen als gelijkenissen beschouwt of dat men het verhaal als een voorwetenschappelijke opvatting van de auteur ziet. De theodicee van Irenaeus, die geen Adam en Eva of de zondeval nodig heeft om zonde en dood uit te leggen, past hier goed bij.

Job: een inkijk in de theodicee
Het hele boek Job is geschreven om de vraag naar het lijden uit te zoeken door te kijken naar de problemen van Job. In feite presenteert het boek van Job meerdere van dit type verklaringen voor zijn lijden. Het grootste deel van het boek omvat de meest populaire theodicee van alle, die Jobs religieuze vrienden graag keer op keer aan Job aanbieden: Job lijdt omdat hij zondigde, God straft hem daarvoor. Je zou denken dat het feit dat God deze uitleg verwerpt genoeg is om deze voor eens en voor altijd af te schrijven. We zien deze zelfzuchtige aannames echter terugkeren bij de vraag van de discipelen aan Jezus:

Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ ‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden’” (Johannes 9:2 en 3).

We mogen wel dankbaar zijn dat Jezus deze zelfgenoegzame theodicee verwerpt, want daardoor kom je deze onder christenen niet tegen, toch?

Mijn eerste gedachte toen ik over de theodicee leerde, is dat God geen rechtvaardiging nodig heeft. Wie zijn wij om God ter verantwoording te roepen? Deze vraag is één van de kernpunten van het boek Job:

Wie is het die mijn besluit bedekt
onder woorden vol onverstand?
[…]Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet (Job 38: 2, 4)

Ook in de Psalmen en bij de profeten kom je deze vragen keer op keer tegen. Het boek Job zelf was geschreven om het probleem van lijden en onrechtvaardigheid te onderzoeken, wat ons grond geeft om naar antwoorden te blijven zoeken. Job leert ons dat als we het probleem van het lijden in de ogen kijken, als we er zelf doorheen moeten –ook al begrijpen we niet wat er gebeurt of waarom het gebeurt -, de God die hemel en aarde schiep, weet wat hij doet en dat we hem kunnen vertrouwen. We kunnen het uitschreeuwen naar God, vragen om antwoorden, zoals de psalmisten doen, maar net als hen moeten we God ook blijven vertrouwen.

De theodicee van Job gaat verder dan dat God het universum geschapen heeft en wie wij dan zijn om hem te bevragen. De theodicee laat ook zien dat God het uiteindelijk goed laat uitpakken voor Job:

De HEER zegende Job in zijn latere leven nog meer dan in zijn vroegere, en zo kreeg Job veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. Ook kreeg hij zeven zonen en drie dochters. De eerste dochter noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Keren-Happuch. In het hele land waren geen mooiere vrouwen dan de dochters van Job. En hun vader gaf aan hen een even groot erfdeel als aan hun broers” (Job 42: 12-15).

Volgens Paulus (Romeinen 8:28) doet God voor wie hem liefhebben, alles ten goede bijdragen voor hen die volgens zijn voornemen geroepen zijn. De belangrijkste les die Job ons leert, is dat Gods wegen hoger zijn dan de onze, dat hij weet wat hij doet:

Mijn plannen zijn niet jullie plannen,
en jullie wegen zijn niet mijn wegen – spreekt de HEER.
Want zo hoog als de hemel is boven de aarde,
zo ver gaan mijn wegen jullie wegen te boven,
en mijn plannen jullie plannen” (Jesaja 55:8 en 9).

Als we onbegrijpelijk lijden en beproeving tegenkomen, dan moeten we ook ruimte houden voor mysterie3, dat God God is en dat hij weet wat hij doet. Wij kunnen hem door de duisternis heen vertrouwen.

Als de theodicee zinloos is
In het bovenstaande verhaal staan allerlei belangrijke vragen voor iemand die het karakter van God begrijpen wil, of zijn bestaan in een roerige wereld te discussie stellen, maar ze zijn behoorlijk nutteloos voor iemand die zelf lijden en tragedie ontmoet. Wat zij nodig hebben, is dat wij bij hen en er voor hen zijn. We moeten voor zover we kunnen, begrijpen waar zij doorheen gaan.

Dat is als je erover nadenkt, precies wat God voor ons gedaan heeft. Daarom is het hart van de Bijbel niet een hoorcollege over theologie, maar de incarnatie. God komt om onze menselijkheid te delen, mee te delen in ons lijden en onze verworpenheid en uiteindelijk het lijden en de vernedering van de dood te delen.

Eén van de grote probleem van ons denken over God is dat onze theologie diep verbonden is met de Griekse filosofie. God is almachtig, alwetend en overal aanwezig. Dat is hij. Maar de God die zichzelf in de Bijbel openbaart, is niet de verre en passieve God van de filosofie. Hij weet waar we doorheen gaan, niet alleen omdat hij alles weet, maar omdat hij er in Christus voor koos om in onze menselijkheid te delen. Hij wil met ons zijn als we daar doorheen gaan. Dit gaat veel verder en veel dieper dan simpelweg weten over onze pijn en problemen: “Juist omdat hij zelf op de proef werd gesteld en het lijden volbracht heeft, kan hij ieder die beproefd wordt bijstaan” (Hebreeën 2:18).

Als we beproevingen en verdriet tegenkomen, dan kunnen we Christus ontmoeten bij het kruis, waar hij niet slechts onze zonde droeg, maar ook onze pijn en lijden; “Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam” (Jesaja 53:4). Er is een veranderende kracht door de dood van Christus en zijn opstanding. We mogen de vertroosting en liefde van God, die ons vasthoudt en draagt, kennen, waarbij we zelf veranderd worden, dichter naar het beeld en de liefde van Jezus.

Bijbelse beelden voor de theodicee
De bijbel gebruikt een aantal metaforen voor het lijden.
Een smeltkroes Het meest levendige beeld om lijden voor gelovigen mee te beschrijven en uit te leggen, is het vuur van de smelter, dat slak uit ons leven brand en puur goud achterlaat. Jesaja 48:10: “Ik zal je louteren, maar niet als zilver, in de smeltoven van de ellende zal ik je beproeven.” Spreuken 17:3: “De smeltkroes toetst het zilver, de oven toetst het goud, de HEER toetst het hart.” Job 23:10: “Maar hij kent de wegen die ik kies; als hij me toetste, zou ik puur als goud zijn.” De apostel Petrus herhaalt dit beeld in het Nieuwe Testament: 1 Petrus 1:6,7:

Verheug u hierover, ook al moet u nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren. Zo kan de echtheid blijken van uw geloof – zoveel kostbaarder dan vergankelijk goud, dat toch ook in het vuur wordt getoetst – en zo verwerft u lof, eer en roem wanneer Jezus Christus zich zal openbaren.”

De pottenbakker Een veel voorkomende metafoor in de Bijbel is God als pottenbakker, waarbij wij de klei zijn. Jesaja 64:7: “Toch, HEER, bent u onze vader, wij zijn de klei, door u gevormd, wij zijn het werk van uw handen.” De betekenis is helder: Wij zijn Gods vakmanschap, hij maakte ons en hij werkt in ons leven, hij maakt van ons de pot die hij voor ogen heeft. Soms treft ons de andere kant hiervan, hoe dit proces voelt voor ons als het blok klei, dat gekneed wordt en fijngedrukt door de hand van de pottenbakker. Jeremia gebruikt de metafoor van een pottenbakker die een bevlekte pot hervormd om de Babylonische invasie uit te leggen. Hoewel invasie en ballingschap het leven zwaar maakten en velen stierven, bracht de metafoor van de pottenbakker de belofte mee dat de zaak nog niet verloren was. God heeft de touwtjes in handen en gebruikt zijn volk nog steeds om tot iets van echte waarde te komen.

Brekende vliezen De andere grote metafoor die het lijden toont en de totale afhankelijkheid van het lijden, én de belofte die het lijden inhoudt, is de beeltenis van barensnood en geboorte. Het duidt op het onverwachte van het lijden of op de afhankelijkheid van de mensen die het betreft. Psalm 48:6, 7: “Maar wat zij zagen, verbijsterde hen, verschrikt namen zij de vlucht. Een siddering greep hen daar aan, zoals krampen een barende vrouw.” Jeremia 6:24: “‘Wij horen van hun komst, onze handen beginnen te trillen. Angst en paniek overweldigen ons, zoals weeën een barende vrouw.” Ook een variant met meer frustratie, en met een knipoog, in Jesaja 26:17 en 18:

Zoals een zwangere vrouw in barensnood ineenkrimpt en schreeuwt in haar weeën, zo verschenen wij voor u, o HEER. Wij waren zwanger en krompen ineen, maar al wat we baarden was lucht; wij brachten het land geen uitkomst, op aarde werd geen mens meer geboren.”

Ondanks alle frustratie en ogenschijnlijk falen, is daar de belofte dat God zijn werk zal volbrengen. Jesaja 66:9:  “Zou ik de moederschoot openen en niet laten baren? – zegt de HEER. Of zou ik laten baren en de schoot gesloten houden? – zegt jullie God.”

Dezelfde metafoor vertelt Jezus tegen zijn discipelen, waarbij de sterk benadrukt hoeveel groter de blijdschap is dan het lijden dat zij doormaakten. Johannes 16:20-22:

Waarachtig, ik verzeker jullie: je zult huilen en weeklagen, terwijl de wereld blij zal zijn. Je zult bedroefd zijn, maar je verdriet zal in vreugde veranderen. Ook een vrouw die baart heeft het zwaar als haar tijd gekomen is, maar wanneer haar kind geboren is, herinnert ze zich de pijn niet meer, omdat ze blij is dat er een mens ter wereld is gekomen. Jullie hebben nu verdriet, maar ik zal jullie terugzien, en dan zul je blij zijn, en niemand zal je je vreugde afnemen.”

Jezus sprak hierover tijdens de nacht voordat hij stierf. Ondanks zijn stervensnood waar hij zich al op voorbereidde, nam hij de tijd om met zijn discipelen stil te staan en hen te vertroosten in het verdriet dat op hen wachtte. Hij kon dit doen omdat hij die avond toen het kruis op hem wachtte, zelf ook gekweld was. We zien Jezus’ lijden en kwelling later die avond in de tuin (Markus 14:33, Johannes 12:27), een angst die de week ervoor had opgebouwd. De auteur van de Hebreeënbrief vertelt ons dat wat Jezus in Johannes 16:20 zei over de vreugde die komt door de geboorte, precies is hoe Jezus zelf de kruisiging doorstond: “… denkend aan de vreugde die voor hem in het verschiet lag, liet hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis” (Hebreeën 12:2). Wat we hier zien is zeer nauw verbonden met de incarnatie: Jezus kon de discipelen aanraken en vertroosten, terwijl zij een groot verlies en radeloosheid in het vooruitzicht hadden, omdat hij zelf meedeelde in hun lijden. En omdat hij zelf dit lijden doormaakte, kon hij zijn vrienden vertroosten met de vertroosting die hemzelf ook op de been hield.

Dit is de meest vergaande reden waarom God lijden en tegenstand in ons leven toelaat:

Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader die zich over ons ontfermt, de God die ons altijd troost en ons in al onze ellende moed geeft, zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven.” (2 Korintiërs 1:3 en 4)

God staat lijden en verdriet toe, zodat wij ook kunnen uitreiken naar gebroken en lijdende mensen. Alleen in een wereld waar lijden is, kunnen mensen echt leren lief te hebben. Het is niet alleen zo dat God het lijden toelaat zodat we kunnen oefenen in het liefhebben: Wanneer liefde daadwerkelijk een offer vraagt, dan pas leren we echt lief te hebben. Als een ziek kind de hele nacht overgeeft, een vriend in de problemen zit, zorgen voor een partner met langdurige ziekte. Jezus vertelde dat geen mens een grotere liefde heeft dan die zijn leven voor zijn vrienden opgeeft. Dit zou nooit passen in het idee van Augustinus van een perfect Eden.

Als Adam en Eva nooit gezondigd hadden en dus uit de Hof van Eden gestuurd waren, dan hadden zij nooit geleerd hoe liefde emotie en sentiment overstijgt, dan waren zij nooit werkelijk mens geworden, waren zij nooit tot volledig beeld van God gegroeid. Alleen in een wereld van lijden en dood, kunnen we werkelijk mens worden, gemaakt naar het beeld van God, die naar zijn aard liefde is. Alleen in een wereld met lijden en dood kan Christus ons redden van alle keren dat wij tekortschoten in hoe God ons tot aanschijn riep.

 Noten:

1. Irenaeus onderscheidt beeld en gelijkenis in Genesis 1:26. Het beeld is hoe we geschapen zijn, gelijkenis is het karakter dat God in ons maakt. Waarschijnlijk wordt de tekst en het onderscheid tussen beeld en gelijkenis daarmee teveel opgerekt, maar er zijn goede argumenten om Gods scheppende werk als doorgaand te beschouwen, dat hij nog steeds bezig is ons in zijn beeld en gelijkenis te maken. Paulus zegt dat we meer en meer veranderd worden in de luister van het beeld van God.

2. Mark S. M. Scott, Suffering and Soul-making: Rethinking John Hick’s Theodicy (Engels). Scott beschouwt Irenaeus’ theodicee zoals weergegeven door John Hick als nader tot die van Origines dan tot die van Irenaeus. Irenaeus was wel de eerste kerkvader die betoogde dat het lijden bedoeld is om ons tot Gods beeld te vormen.

3. Online bronnen over de theodicee (Engels):

Denis Lamoureux: Web Lectures on Science and Religion, Episodes 193-201; The Problem of Evil.

Bethany Sollereder, blog op Biologos in drie delen: How could God create through Evolution? A look at Theodicy.

 Geschreven door Darach Conneely. Met toestemming overgenomen van Simian in the Temple, vertaald door Evert te Winkel. Conneely hoopt een tweede blog te schrijven over de theodicee en schepping. Volgens hem gebruikte God evolutie om leven op aarde te maken.

1 reactie op “Theodicee: waarom er lijden is in de goede schepping”

Als God het lijden toestaat om ons echt mens te worden, dan zou God wel erg ver gaan met toestaan van lijden zoals in oorlog en bij ouders die hun kind verliezen door een gestoorde pedo. Om maar iets te noemen. Als het zo zou zijn dan zou ik me heel goed voorstellen dat ik in de hemel zou vloeken… Maar dat geloof ik niet. Ik geloof dat God het lijden niet wil, maar ook niet kan wegtoveren. Wel er Zijn, ongeacht wat wij meemaken. Ik geloof dat God van ons houdt en geen spelletje met ons speelt om ons ‘echt mens’ te laten worden.